19 februari 2012

Zwarte vogels

"Weet je nog die zwarte vogels waar ik je gisteren over vertelde?" Ik knikt, dat wist ik nog wel. "Die bestaan allemaal in jouw hoofd. De zwarte vogels, de bomen, de hele santenkraam waar ik je over verteld heb." Ik keek hem aan, ongelovig. "Dat lieg je!" antwoordde ik. Hij schudde zijn hoofd. "Nee, dat lieg ik niet." Hij vouwde zijn handen open. "Kijk, alles wat ik jou gisteren vertelde is een leugen. Niets is echt gebeurt, niets is echt waar. Alles is een idee in jouw hoofd, een gedachte die je ooit gehad heb en nog steeds zwerft in de kronkels van je geest."

Met deze woorden legde hij één hand op mijn been. Ter geruststelling? Ik vond het in ieder geval niet fijn. Zijn woorden staken mij en die hand op mijn been gaf mij een onbehagelijk gevoel, zoals altijd wanneer iemand mij onverhoeds aanraakt. Toch haalde ik zijn hand niet weg. Dat zou onbeleefd zijn en ik wilde niet onbeleefd zijn. Niet nu... Niet nu hij mij deze dingen ging uitleggen. "Maar hoe..?" Hij lachte om mijn vraag. "Hahaha. Hoe! Dat moet je helemaal jezelf afvragen!" En hij begon onbedaarlijk te lachen. Ik had ergens het gevoel dat hij mij uitlachte, maar oké.. zijn hand was wel verdwenen van mijn been. Hij lachte zo hard dat hij om de zoveel tijd zijn hand op zijn eigen knie sloeg. "Hoe vraagt hij!" grinnikte hij verder. "Hoe!" Tranen bungelden over zijn wangen, die hij achteloos met de achterkant van zijn hand wegveegde. Ik keek hem aan, zo leuk was het ook weer niet. "Ik ben serieus. Lach mij niet uit!" Het begon mij een beetje tegen te staan, ik begon zelfs kwaad te worden. Eindelijk, een keer. Ik werd nooit kwaad op hem, terwijl hij vaker het bloed onder mijn nagels vandaan haalde.

Hij veegde de lach van zijn gezicht, de laatste sporen van zijn tranen nam hij in één beweging mee. "Sorry, je hebt gelijk. Voor jou is het uitermate serieus." zei hij met een meesmuilende blik in zijn ogen. "Godver, je steekt gewoon de draak met mij!" Ik keek hem nu echt kwaad aan. Hij stak verwerend zijn handen op. "Nee, nee, sorry! Het spijt mij echt. Ik had je niet moeten uitlachen, maar als je op mijn stoel zit is je reactie gewoon erg grappig. Sorry.. Ik zal het niet meer doen." Ik keek hem aan, het leek erop dat hij het serieus meende. Ik dacht oprechte spijt in zijn ogen te kunnen lezen, maar ik kon het ook mis hebben. Erg goed in mensen lezen was ik nooit geweest, maar ik gaf hem het voordeel van de twijfel. "Oké, vertel verder. De zwarte vogels heb ik zelf verzonnen, daar was je." Hij knikte. "Klopt, ze zijn allemaal in jouw geest begonnen. Eigenlijk is alles in jouw geest begonnen. Zelfs dit gesprek." Nu keek ik hem helemaal vreemd aan. "Wat bedoel je?" "Ik snap niet wat je bedoeld. Ik ben hier met jou, dit gesprek voeren wij nu. Ik heb nooit eerder over dit gesprek nagedacht, behalve dat we in het verleden veel vaker een gesprek hadden waar ik naderhand over nadacht." Weer die bevestigende hoofdbewegingen die in mijn richting werden geworpen. "Klopt, klopt.." En daarmee liet hij een stilte vallen.

Ik keek naar zijn handen. Zijn sierlijk lange vingers die op zijn knie en dijbeen lagen. Ze lagen stil, net als de woorden die we net uitgesproken hadden. "Ik begrijp het niet.." mompelde ik tegen hem. Hij keek mij aan, vouwde zijn handen in elkaar en ging achterover in de stoel zitten. Zo bleef hij zitten en mij aankijken. Zijn blik dwaalde over mijn gezicht. Ik zag zijn blauw-grijze ogen kleine schokkerige bewegingen maken terwijl ze over de oppervlakte van mijn gezicht trokken. "Waarom zeg je niets meer?" vroeg ik. Als antwoord haalde hij alleen zijn schouders op. Waarom zou hij ook antwoord geven. Hij had al gezegd dat dit hele gesprek in mijn hoofd had plaatsgevonden en als ik niet eerder iets bedacht had kon hij ook nooit een tekst hebben. Ik had zijn woorden niet eerder bedacht, zonder woorden kon hij niets zeggen. En als hij niets kon zeggen kon hij mij ook geen uitleg geven. Ik zat in een patstelling. Wat moest ik nu? Hem vertellen wat hij moest zeggen, dat ik begreep dat hij geen woorden had omdat ik ze niet bedacht had? Of gewoon blijven zitten tot hij uit zichzelf weer begon te praten? Het werd mij allemaal te veel, vermoeidheid nam mijn lichaam over en ik zakte weg in mijn zetel.

Daar zaten we, twee mannen. Elk een eigen zetel, al had hij slechts een stoel. Handen op de benen, achterover leunend en wachten tot de een begint te praten. Ik besloot te beginnen. "Die zwarte vogels van gisteren..." Hij knikte. "Ja, daar had ik je over verteld." "Inderdaad, daar had jij mij over verteld. Maar ik begrijp het niet.." Hij ging weer rechtop zitten. "Dat begrijp ik, ik was ook een beetje harteloos om je zomaar uit het niets te vertellen dat de zwarte vogels alleen in jouw hoofd bestaan. Ik had het een beetje makkelijker, zachter, moeten inkleden. Het zal wel koud op je dak gevallen zijn." Ik knikte, het was heel erg koud op mijn dak gevallen. Ik was er nog steeds ondersteboven van. Plotseling klonk er achter hem het geluid van een kookwekker. De rinkelende toon ging snerpend door de kamer en ik schrok er even van. Hij keek op zijn horloge. "Goh, ons uur is alweer op! Ik vertel je volgende keer meer. Maar maak even een afspraak aan de desk." Hij stond op en stak zijn hand uit. Ik stond ook op en gaf hem een hand. "Tot de volgende keer.." Beduusd liep ik de kamer uit en wierp nog een allerlaatste blik op het raam in zijn kamer. Een kraai zat op de vensterbank. Zijn ene kraaloog glinsterde in het zonlicht en keek mij recht aan. "Dag, dokter.." en ik trok de deur van zijn kamer dicht. Volgende keer zorg ik dat je meer woorden hebt, volgende keer vertel je het vast wel.

28 januari 2012

Uitzicht

Inmiddels was ze al drie dagen op het eiland. De eerste dag was alles nog spannend, nieuw en keek ze uit naar alles wat ze ging beleven. Toen wist ze nog niets van het eiland, maar dat duurde niet lang. Zoals iedereen kwam ze met de boot aan in die kleine haven. Schattige, bijna pittoreske huisjes stonden langs de kant van de kade waarmee ze de verwachting van een dorps, maar mooi uiterlijk leken in te vullen. Nu op de derde dag was het pittoreske en schattige wel volledig verdwenen. Er was niets schattig aan de huisjes langs de kade en ze begon te verlangen naar het moment dat ze weer terug naar de boot mocht.

Drie dagen geleden had ze de tekenen eigenlijk al moeten opmerken. De vliegen waren op de boot ook al aanwezig, maar iedereen zei tegen haar dat ze snel zouden verdwijnen. Dat ze alleen hier op de boot, op het meer last van vliegen hadden. Op het eiland zou ze heerlijk tot rust kunnen komen. Iedereen verzekerde het haar, zelfs de vliegen leken dit te bevestigen. Toen ze de eerste huisjes in de verst zag liggen trokken ze zich terug naar het wateroppervlakte waar ze vanaf gekomen waren. Niemand vond het ook vreemd dat het water bedekt was met die grote, zwarte vliegen en dat zorgde dat zij er verder niet over na hoefde te denken. Ze nam gewoon aan dat iedereen gelijk had en die huisjes waren vanuit de verte ook gewoon ontzettend schattig. Misschien zouden ze nu ook nog steeds heel schattig zijn vanuit de verte, al dacht ze niet dat ze ooit kon vergeten wat ze nu wist. Dit hele eiland had zijn glans verloren, al bestond die glans alleen maar in een folder van het reisbureau.

Ze liep naar het raam van haar hotelkamer en keek naar de haven in de verte. De huisjes stonden nog steeds naast de kade, het water zag zwart (van vliegen?) en de zon brandde onverbiddelijk op de hele omgeving. Niemand leek op straat te zijn, maar drie dagen geleden zag ze ook bijna niemand op straat toen ze aankwam. Bij nader inzien had dat ook verdacht moeten zijn, zo'n idyllisch eiland en niemand op straat om ervan te genieten. Dat er naast haar totaal geen toeristen op de boot waren, alleen een handjevol bemanning kwam haar nu pas als extra teken dat er iets mis was voor. Die bemanning zag er ook niet erg fris uit, bedacht ze zich nu. Maar ja, dat was allemaal achteraf de losse draadjes aan elkaar verbinden. Daar had ze nu niets meer aan, nu was ze op dit eiland en zat ze vast tot de boot weer kwam om haar op te halen. Ze keek weer naar buiten, al zag ze inmiddels niets meer van het uitzicht dat ze op de haven had. Het raam was weer bezaait met de dikke, zwarte vliegen die het eiland leken te bezitten. Hun grote zwarte lichaampjes zwermden over het raam waardoor ze de wereld buiten nog met vlagen kon zien. Het begon dus weer avond te worden, 's avonds waren de vliegen het ergste.

's Avonds mocht ze zelfs niet meer naar buiten gaan van de hoteleigenaar. Hij was de eerste die eerlijk tegen haar was. Zeker nadat hij de reden van haar komst, toerist, had gehoord. Hij kon niet geloven dat iemand het eiland waar hij woonde aanprees als idyllisch en gevuld met ongerept natuurschoon. Al moest hij wel toegeven dat het natuurschoon op het eiland inderdaad ongerept was, geen mens hield het lang uit op het eiland. Tenminste niet zolang je vier stenen muren om je heen had staan, in de buitenlucht zouden de vliegen je levend opvreten. "Niet letterlijk!" gooide hij er nog met een grimas achteraan, maar inmiddels geloofde ze best dat die zwermen mensen volledig opvraten. Niet dat ze het proefondervindelijk wilde ondergaan, de grote plak vliegen op haar hotelkamer-raam weerhielden haar van elk plan om naar buiten te gaan. Zelfs op de eerste dag was ze binnen gebleven toen ze ontdekte dat die vliegen in de avond massaal naar het eiland kwamen. Daar was ze de hoteleigenaar nog steeds dankbaar voor, dat hij het eerlijk verteld had en haar op het hart had gedrukt om voor drieën in het hotel te zijn. Hij was helemaal niet blij met haar komst, wat vreemd was aangezien ze de enige betalende bezoeker leek te zijn.

Buiten begon de schemering in te vallen. De zon zou nu half achter de horizon verdwenen zijn, misschien iets verder. De lucht was waarschijnlijk prachtig rood of fel-oranje gekleurd met vlammende wolken rond de zonneschijf, maar dat kon ze allemaal niet zien. Ze kon niet zien hoe in de huisjes, de pittoreske huisjes langs de kade voorzichtig de eerste lichten ontstoken werden. Hoe het weerschijnsel van de verlichte ramen op het meer eruit zouden zien of zelfs de laatste zonnestralen op het meer. Dat moest ze allemaal missen door haar uitzicht op de dikke, vette zwarte vliegen. Zij ontnamen niet alleen haar plezier op een leuke vakantie, maar zelfs haar uitzicht. Vermoeid, terwijl de avond net begonnen was, plofte ze neer in haar stoel en sloeg haar handen voor het gezicht. Zachtjes begon ze te huilen...

(wordt vervolgd)

14 december 2011

Niet alles geloven

Zoals elke ochtend deed ze de gordijnen open, eerst de linker en dan de rechter. Ze keek naar buiten, gewoon om te zien wat voor weer het was en omdat ze het altijd prettig vond om even de wereld te beschouwen zonder dat ze buiten geweest was. Het beloofde een zonnige dag te worden. De zon was al een beetje te zien achter het dak van de overburen, de lucht was grotendeels onbewolkt en een eenzame fietser trapte door de straat heen. "Ja, het gaat een mooie dag worden" dacht ze bij zichzelf.

Ze keek de fietser in de straat na en wierp een korte blik op hun tuin onder het raam. En plots zag ze hem daar staan, aan de rand van hun tuin. Een beetje verscholen achter de struik die bij de buren op de hoek van de tuin stond. Een man met een lange zwarte jas en een zwarte hoed op zijn hoofd. Ze voelde zijn blik op het slaapkamerraam rusten waarachter zij stond. Wat moest die vent daar? "Robert, kom eens kijken!" riep ze naar haar man in de badkamer. "Wat is er?" klonk vanachter de deur. "Wacht, een momentje. Even mijn gezicht afwassen.." Een beetje geïrriteerd, misschien wel licht paniekerig gooide ze er een "kom nu eens kijken!" uit. Haar man stormde gelijk de badkamer uit, plukken scheerschuim hingen nog aan zijn gezicht. Met de handdoek in zijn hand veegde hij de laatste resten weg. "Wat is er?!" Hij liep naar haar toe. "Kijk naar buiten, daar bij het hek van de buren. Bij die grote struik!" Ze wees naar buiten. Robert keek naar buiten. "Ik zie niet. Gewoon onze tuin en de tuin van de buren. Wat is er aan de hand?" Hij keek haar bezorgd aan. "Je klonk bijna in paniek!"

Ze keek weer naar buiten. De man in het zwart was verdwenen. De straat was verlaten, alleen de auto's van de buren geparkeerd langs de stoep. Ze keek de hele straat af, naar beide kanten, maar er liep ook niemand. "Zou hij achter de struik zitten?" vroeg ze zichzelf nog even af, maar wist dat dit ook onzin was. Zo groot was die struik ook weer niet en een grote vent in een zwarte jas zou ze echt wel zien. "Ik dacht dat ik een vent naar ons huis zag staren. Volgens mij ben ik nog niet helemaal wakker. Droom ik nog.." Robert lachte en gaf haar een kus op haar voorhoofd. "Ja, dat zal het zijn. Kom, we gaan ontbijten. Ik moet zo weer gaan werken." "Ja.." zei ze opgelucht. "Laten we dat gaan doen" en ze liepen gezamenlijk de trap af voor het ontbijt. De man in het zwart verdween langzaam naar een plekje diep in haar achterhoofd. Niet veel later zette ze haar man de deur uit, omdat hij dreigde te laat op haar werk te komen. Ontbijten met Robert was altijd erg gezellig, met z'n flauwe grappen en heerlijke boterhammen maar hij vergat altijd de tijd. Gelukkig had hij haar, kon ze hem op tijd de deur uitzetten.

Ze ruimde de ontbijtspullen op en dacht na over de rest van haar dag. Vandaag hoefde ze zelf niet te werken, dus ze kon lekker aanrommelen. Misschien eventjes naar de stad om wat te gaan windowshoppen.. Ze had op zich niets nodig, maar je weet nooit. Op de dagen dat ze gewoon voor niets naar de stad ging vond ze vaak iets leuks en verder had ze toch niets te doen. Behalve de afwas, waar ze gelijk maar aan begon. Was dat maar gedaan en had ze de rest van de dag haar handen vrij. Veel was het niet, slechts de ontbijtbordjes en de spullen van gisterenavond. Daar was ze zo mee klaar en terwijl ze het water in de gootsteen liet lopen keek ze weer naar buiten. En daar stond hij weer! Nu rechtstreeks voor haar keukenraam, op de stoep voor het gazon. Dezelfde zwarte jas, dezelfde zwarte hoed en nu kon ze zien dat hij rechtstreeks naar haar keek. Al kon ze zijn gezicht niet zien, die ging schuil onder de schaduw die de rand van zijn hoed trok. "Wat te F..." dacht ze en ondanks dat ze eigenlijk bang was vond ze dat ze die kerel best kon confronteren met zijn gedrag. Ze hield er niet van als onbekenden haar in de gaten houden. Maar ja, wie wel? Ze deed de kraan uit en liep naar de voordeur.

Kwaad, met een ruk, deed ze de voordeur open. Ze stormde naar buiten en wilde die kerel gelijk aanspreken. Onder het mom "wat moet je hier" maar er was helemaal niemand. Geen kerel, alleen dezelfde straat die ze altijd zag. De buurman van twee huizen verder kwam net naar buiten lopen, hij zwaaide. Even wist ze niet wat ze moest doen en zwaaide verstrooid terug. Ze keek de straat uit, niemand. Er liep ook niemand. "Ik kan toch niet meer dromen?" vroeg ze aan zichzelf af en liep weer naar binnen. Nu liet de man in het zwart haar niet meer los. Ze bleef eraan denken en de afwas liet ze maar staan voor vanavond. Eerst dit probleem oplossen. Wie was die vent en waarom observeerde hij haar? En nog belangrijker hoe kon hij zo snel verdwijnen als hij deed? Vragen waar ze het antwoord ook niet op wist. Ze besloot haar vriendin te bellen, misschien wist zei raad en anderzijds wilde ze ook liever niet meer alleen zijn. Ze voelde zich niet prettig.

Terwijl ze belde keek ze een beetje angstig uit het raam. Niemand te zien, alleen de straat die ze elke dag zag. Een auto reed voorbij en even later nog één. Haar vriendin nam niet op. "Verdomme!" vloekte ze zachtjes. Ze wilde niet thuisblijven, nu even niet. Ongedurig ging ze op de bank zitten en ze zat nog niet of de telefoon ging. Ze schrok, keek naar buiten (waar niets bijzonders te zien was) en nam op. "Hallo.." "Hooi, met Elsbeth! Ik zag dat je gebeld had!" Haar vriendin, opgelucht haalde ze adem. "Ja, sorry.." ging Elsbeth verder "ik was in de keuken en hoorde de telefoon te laat" "Ach, dat geeft toch niet" antwoordde ze terug. "Het was ook niet zo belangrijk, ik vroeg mij alleen af of je zin had om ergens koffie te gaan drinken. Ik heb geen zin om thuis te zijn.." "Ja, dat vind ik nu een goed plan!" hoorde ze aan de andere kant van de lijn. "Zal ik je over een uurtje oppikken? Kunnen we even ergens gaan roddelen over onze mannen!" Ze lachte: "Ja, dat is goed. Zie ik je over een uurtje." Ze hing op, een uurtje niets doen. Ze ging weer op de bank zitten en keek uit het raam. Nog steeds de normale straat, geen kerel met een zwarte jas en hoed. Enkele auto's en fietsers kwamen voorbij terwijl het uur verstreek.

Zoals gewoonlijk gingen ze naar de La Place in het centrum. Daar hadden ze de lekkerste appeltaart vond haar vriendin en op zich was ze het hier wel mee eens. Ze hadden een tafeltje aan het raam gekozen en keken naar buiten, naar de binnentuin onder hen. "Toch altijd mooi, die tuin" zei Elsbeth. Ze knikte terwijl ze een hap van haar taart nam. Haar vriendin wilde ook een hap nemen, maar zag dat ze een theelepeltje in plaats van vorkje gepakt had. Ze lachte en stak het stukje servies in de lucht. "Zo terug, even een vorkje pakken!" "Is goed, dan geniet ik even verder in stilte" en ze lachte naar haar vriendin. Ze keek hoe Elsbeth wegliep naar de bestekbak en draaide haar hoofd om de binnentuin weer te bekijken. Om even van de bloeiende planten te genieten. Ze schrok zich dood, daar stond die vent met zijn zwarte jas en hoed weer. Midden in de tuin, tussen de planten en struiken. En ze wist dat hij omhoog keek, naar haar keek. Ze rukte haar blik los van hem en keek naar haar vriendin die inmiddels terug kwam lopen. "Elsbeth..." begon ze en ze wees naar het raam. Elsbeth keek haar aan. "Wat is er? Je ziet helemaal wit, alsof je een geest gezien hebt." Ze schudde van nee. "Kijk even naar buiten, zie jij daar een vent in de tuin staan!" Elsbeth keek naar buiten: "ik zie niets.... maar dat kan ook helemaal niet, die tuin is afgesloten. Alleen bereikbaar voor het personeel." "Of zag je iemand van het personeel, een lekker vent?" zei Elsbeth plagerig. "Nee, nee, een vent in een lange zwarte jas" antwoordde ze. Haar vriendin keek haar aan en schudde nee.

Nadat ze het hele verhaal aan haar vriendin had verteld, wat twee bakken koffie koste om te vertellen voelde ze zich wat meer gerustgesteld. Haar vriendin dacht ook dat ze droomde, volgens haar kon je gewoon dingen zien terwijl je wakker was. En sliep ze de laatste tijd niet erg slecht! Iets wat ze had beaamd, ze sliep al enkele weken erg slecht. Volgens haar vriendin had ze gewoon last van waakdromen en moest ze even naar de dokter. Na de belofte dit te gaan doen liet haar vriendin haar achter in de La Place, ze moest nog even boodschappen doen had ze gezegd. Wat ook waar was, ze moest inderdaad nog boodschappen doen. Het eten wat ze gisteren in gedachten had voor vandaag had ze nu geen zin meer in. En daarbij zou boodschappen doen haar weer wat rust geven, gewoon iets basaal doen als boodschappen. Ze stond op, bracht het dienblad met de kopjes en schoteltjes naar de opruimband en liep naar buiten. De geluiden van de straat omringde haar, winkelend publiek liep langs haar heen en ze voegde zich in de massa. "Ja, het was gewoon een droom. Er is niets" sprak ze zichzelf toe en ze liep de winkelstraat verder in.

Even stopte ze bij haar favoriete kledingwinkel en keek in de etalage. Er hing niets leuks, een jurkje wat ze al eerder had gepast en afgekeurd had vanwege een lelijke pasvorm. Daarnaast een broek die haar smaak niet was en dingen ze nog te duur vond. Leuk voor de uitverkoop, maar niet om de volle prijs voor te betalen. Ze wilde verder lopen toen ze in de weerspiegeling weer die vent in het zwart zag. Zwarte jas, zwarte hoed en hij keek weer haar richting op. Hij stond aan de overkant van de straat. Met een bonzend hart draaide ze zich om, hij stond nu wel heel erg dichtbij. Ze moest hem nu makkelijk kunnen aanspreken, maar ze zag niemand toen ze zich omgedraaid had. Helemaal niemand, alleen het normale winkelende publiek. Wat voor een woensdagochtend natuurlijk nog niet echt veel was. Ze keek weer in de winkelruit, niets bijzonders. Precies dezelfde straat. "Ik droom, een hallucinatie..." sprak ze zichzelf streng toe: "als ik thuis ben gelijk de dokter bellen!" Ze had gelijk nergens meer zin in, ook niet in boodschappen doen maar aangezien ze dit nu eenmaal voorgenomen had liep ze gelijk door naar de supermarkt. In de etalageruiten keek ze niet meer.

In de supermarkt zag ze hem weer staan, bij de vleesafdeling. Enkel stond hij nu met zijn rug naar haar toe en ze stormde op hem af. Kwaad greep ze hem bij de schouder. "Wat moet je van mij!" schreeuwde ze hem toe, terwijl ze hem met een ruk omdraaide. Een oudere man staarde haar verschrikt aan. "Mevrouw! Wat doet u? Wat wilt u?" Hij viel bijna door haar bruuske gebaar. "Ik ken u helemaal niet!" Ze schrok en zag nu dat hij helemaal geen zwarte jas aanhad, alleen een lange bruine regenjas. Hij had niet eens een hoed. Wat was door haar heengegaan? "Neem mij niet kwalijk, meneer.." verontschuldigde ze zich. "Ja, dat is je geraaien ook" antwoordde de man kwaad en keerde terug naar het vlees dat hij aan het uitzoeken was. Ze liep weg, dit was echt niet goed. Ze kon beter naar huis gaan en de dokter gaan bellen.

En net voordat ze de winkel uitliep zag ze hem weer door het glas van de deuren heen. Hij stond overduidelijk in zijn lange zwarte jas en hoed op zijn hoofd haar aan te kijken vanaf de overkant van de straat. Nu had ze hem, nu zou ze weten wat hij van haar moest. Ze zou hem nu niet meer uit het oog verliezen en stormde naar buiten. De deuren gleden voor haar open en de man was nu duidelijk zichtbaar. Dit was haar kans en stormde op hem af zonder op of om te kijken. Achter haar hoorde ze iemand schreeuwen dat ze moest oppassen, maar ze lette niet op. Ze had alleen nog oog voor de man in het zwart. Naast haar hoorde ze luid piepende remmen, geluid van een motor en toen voelde ze haar benen onder zich wegslaan. Haar hoofd klapte op de voorruit, welke onder haar versplinterde. Haar arm schoot onder haar weg en tegen het dak van de auto. Ze voelde haar benen tegen de motorkap klappen, eroverheen schuiven en toen werd het zwart voor haar ogen. In de duisternis voelde ze haar lichaam keihard tegen de straat knallen en bleef liggen.

Ze wist niet hoe lang ze daar gelegen had toen ze haar ogen opende. Mensen stonden om haar heen en ze kon ze niet bewegen. Ze hoorde opgewonden stemmen. "Zo erg!" "Zag je haar gaan, ze stak zo maar over" "Ik kon er niets aan doen" Mensen stonden om haar heen, onrustig. "Is er al een ambulance gebeld?" Ze probeerde iets te zeggen, maar slechts een licht gereutel kwam over haar lippen. Ze keek naar de mensen om haar heen, vele keken geschrokken naar haar gehavende lichaam. Naar het bloed dat uit haar hoofd stroomde. Een enkeling keek of er al een ambulance of een dokter kwam en daarna weer snel naar haar. Uit het niets opende de groep mensen zich. "Een dokter.." ging door haar hoofd, maar de man in de zwarte jas kwam naar voren. Hij ging naast haar staan, ging door zijn knieën en stak zijn hand uit. Eindelijk kon ze zijn gezicht zien. Wit als perkament en ondanks zijn toch jeugdige uiterlijk zag hij eruit alsof hij ouder was dan de wereld om hen heen. Zijn ogen leeg, peilloze dieptes die alles zagen maar niets registreerden. Ze keek naar zijn uitgestoken hand. Met een zachte stem prak hij haar toe. "Ga je mee?" zei hij. 

5 december 2011

Een houten vloer

"Kom maar binnen, we gaan beginnen!" Gedwee lopen we de ruimte binnen, meebrengen van bier en andere versnaperingen is geen probleem. Alleen eten schijnt niet op prijs gesteld te worden, maar aangezien niemand dat mee wil nemen is er ook niemand die bezwaar maakt. Een houten vloer ontsluit zich voor onze ogen, stoelen aan de linkerkant en vier microfoons met wat kleine effect-apparaten aan de rechterkant. We worden geacht plaats te nemen op de stoelen. We kiezen enkele stoelen op de tweede rij, dichtbij genoeg om alles te kunnen overzien maar toch te ver om direct geconfronteerd te worden met wat komen gaat.

Het licht is al gedimd, de microfoons staan als een los groepje weerstand te bieden aan de gang van zaken. Alsof ze willen zeggen dat ze zelfs in deze betrekkelijke duisternis hun aanwezigheid duidelijk kunnen maken. Het lukt ze verwonderlijk goed, zelfs de ouderwetse gitaar speaker op de achtergrond maakt zijn aanwezigheid uitstekend bekend. Al komt dit laatste doordat het op een verhoging is geplaatst, een extensie van de houten vloer waarop het geplaatst is. Meer mensen druppelen binnen, sommige met een bier in de hand. Anderen alleen gewapend met een jas en de zin om te beginnen. Het creëert een mooie gelegenheid om de rest van de ruimte te bekijken, maar er valt weinig te zien. De enige twee gedimde lampen op het podium laten zwarte gordijnen op de muren zien, overal waar ik kijk zijn de muren zwart. De golven van de gordijnen geven de ruimte een warme, misschien wel knusse sfeer. Alles is goed en de deur sluit om het laatste publiek binnen te laten. "Iedereen aanwezig?" klinkt er vanuit een verduisterde hoek. Niemand geeft antwoord.

De deur gaat nogmaals open, ditmaal om Keiji Haino binnen te laten. Zijn kleding reflecteert de gordijnen op de muren, ook zwart en loshangend. De zonnebril en zijn lange grijze haar maken zijn verschijning nog groter, grootst zoals de man uit Japan kan zijn. Hij neemt plaats op de grond, in kleermakerszit en klapt in zijn handen. De ceremonie, het concert is begonnen. Rustig begint hij woorden in de microfoon te spreken. In het Japans, het kan van alles zijn. Misschien scheld hij iedereen in het publiek uit, misschien verklaart hij iemand die wij niet zien de liefde. Ik weet het niet, ik spreek geen Japans. Ik versta geen Japans. Langzaam ontpopt hij zich tot zijn ware aard. Binnen tien minuten weet ik dat het materiaal waar demonen van gemaakt zijn bestaat uit geluid. Geluid dat je overspoeld, omklemt en doet grijpen naar adem. Keiji Haino is geen muzikant,  Keiji Haino is een necromancer. Een hogepriester van de uitermate duistere kerk. Hij gromt, schreeuwt, manipuleert, vervormt zijn stem en zingt zoetgevooisd om iedereen in slaap te sussen. Geen zachte slaap met feërieke dromen, maar een duister avontuur waarbij je je ogen wijd opengesperd wil houden. Demonen zetten voet op de houten vloer, het geluid van hun voetstappen zet zich vast in onze lichamen. En altijd staat alleen Keiji Haino achter de microfoons, de hogepriester zonder altaar.

De golven van geluid, zijn schreeuwen, zijn stem. Alles dendert mijn gehoorgang binnen, motorfietsen die een levensgevaarlijke toer uitvoeren in ronde buizen. Geluid dat onder je huid kruipt en niet meer weg wil gaan. Het geluid neemt mij over, zegt dat ik van hem ben en alles om mij heen verdwijnt rond die man op het podium. Die man achter de vier microfoons en zijn kleine apparaten. Ik zoek naar occulte tekens op de grond (een pentagram was al genoeg) maar alleen een blank houten vloer strekt zich voor mij uit. Steeds verder en verder, terwijl de muren van geluid mij verder bedelven. Ik ben bezeten door de demonen die Keiji Haino opgeroepen heeft en laat het gebeuren. De ruimte is leeg, gevuld met de muren van geluid en de houten vloer. In het midden brult, schreeuwt, praat en gromt hij verder. En ik luister. Ik luister naar zijn stem, zijn ruis en zijn feedback. En opeens dringt het tot mij door! Hij roept geen demonen op, maar bezingt de afschrikwekkende schoonheid van de natuur. De monsterlijkheid waarmee wij de natuur behandelen en de manier waarop de natuur ingericht is. De demonen die hij oproept zijn niets meer dan de afgrijselijke gezichten van de Natuurgoden en -wezens.

Ik trek de gordijnen langs de muur om mij heen terwijl Keiji Haino mij verder meeneemt. Steeds dieper dringt het geluid mijn lichaam binnen, soms pijnlijk, soms prettig in de aanraking. Maar altijd is het vrijwillig, als de eerste stappen in een sadomasochistische relatie. Ik weet dat ik kan stoppen wanneer ik wil, maar ik wil niet stoppen. Ik wil doorgaan, doorgaan tot hij klaar is met ons allemaal. Ik dompel mijzelf nog verder onder in het geluid, de gelaagdheid die vanaf de houten vloer over mij uitgestort wordt. Het geluid is een onderdeel van mij geworden, het materiaal waar het gemaakt is blijkt mijn eigen vlees te zijn. Ik ben het geluid, zoals het geluid Keiji Haino is. Hij bespeelt iedereen met zijn stem, vanaf de houten vloer die ook zijn instrument is. De krankzinnigheid, de chaos en de vreselijke schoonheid van de natuur trekt in het geluid aan mij voor bij. Het trekt door mijn lichaam en laat striemen op mijn ziel achter. En dan is het weg, het geluid trekt zich terug naar de houten vloer. Naar de man die het allemaal produceert. Alsof hij het allemaal terugroept vanuit het publiek. Ik ben niet alleen, wij zijn met meerdere en allemaal hebben we hetzelfde meegemaakt.

Keiji Haino staat op, neemt een buiging en loopt weg. We applaudisseren, iets anders kunnen we niet doen en staan zelf ook op. We zijn iets rijker geworden, al hebben we misschien een klein beetje van onze ziel aan Keiji Haino meegegeven. Het was een louterende ervaring, misschien zelfs volledig religieus. We vertrekken met een gevoel van loutering en gewapend met een gehoorbeschadiging terug de buitenwereld in.

Japanse Noise zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn, voor mij zal zelfs muziek nooit meer hetzelfde klinken. Ik zal de rest van mijn leven opzoek gaan naar de herontdekking van die houten vloer, al ben ik nu wel bang in het donker. Ik weet nu hoe de natuur er werkelijk uitziet, hoe de dingen die wij normaal gesproken niet kunnen zien eruit zien. Hij liet het mij allemaal zien op die houten vloer.

A Bit of Keiji Haino - live at SPS 4-12-2011
video

Disclaimer: Deze opname geeft geen goed beeld van de 
totaal-ervaring die Keiji Haino brengt. Het is slechts een 
korte registratie om een beeld te geven bij het geluid, 
wat ook niet goed overkomt vanwege mij camera.

30 november 2011

Verdrinken in spreeuwen

Buiten zitten de bomen vol met vogels. Zwarte, kleine vogels die harder kwetteren dan ik mijn muziek kan zetten. Ik gooi een hand rijst naar ze, ongekookt zodat het verder kan komen. Maar ze reageren niet, het kwetteren gaat onverminderd door terwijl de rijst ongezien op het gras valt. Ik kijk een beetje somber naar de korreltjes in het gras. Misschien moet ik het gras onder water zetten, dan kan het gaan groeien en ik uitkijken over de mooie rijstvelden die je ook in het oosten ziet... Die gedachte verban ik gelijk weer uit mijn hoofd, rijstvelden.. Ik heb last van die vogels, van het constante gekwetter over mijn achtertuin. Het geluid dat ze maken als ze met hun vleugels slaan of alleen bewegen. Ik kan niet tegen het geluid van hun veren. En die nare zwarte kleur die ze hebben! Het zijn gewoon misselijkmakende wezens en ik wil ze weg hebben. uit mijn bomen. Weg uit de buurt van mijn tuin!

Alleen ben ik bang voor hun starende oogjes. De glimmende kraaloogjes, ze staren mij terwijl het maanlicht weerspiegeld in de bolling. Ik snap niet hoe ze het doen. Welke houding ik ook aanneem, hoe ik mijzelf went of keer altijd valt het maanlicht op die zwarte kraalogen en schijnt rechtstreeks in mijn ogen. Maar daar houden ze het niet bij, elke keer als ik ze aankijk beginnen ze te bewegen. Laten ze hun veren ruisen en ritselen. Als Duitsers die kuil graven op het strand en deze aan het einde van de dag niet willen dichtgooien. Bier dat doodslaat voordat je het op je tafeltje heb kunnen zetten. Ik voel dat ze mij uitlachen, elke keer weer. Zelfs als ik niet kijk. En volgens mij laten ze mijn koffie ook koud worden met die glinsterende ogen.

Ik werp nog een hand rijst naar ze. Dit keer een stuk harder, harder en hoger. Nu raak ik enkele van de onderste vogels en het gekwetter wordt nog harder. Enkele vliegen weg waardoor ik begin te juichen. Ik spring op en gooi nog een hand rijst. Weer hard genoeg om de onderste vogels te raken. Nu beginnen er meer weg te vliegen en al gauw is de lucht vergeven van de zwarte lichaampjes. Ik schrik van hun hoeveelheid als ze in één grote zwerm opvliegen. Hun ogen gericht op mij, nog steeds het maanlicht reflecterend alsof er niet gebeurt is.

"Wat heb ik gedaan?" denk ik nog terwijl de zwerm zich naar mij keert. Ik sta versteend in de deuropening. Ik weet niet meer wat ik kan doen als ik de eerste vogels van de zwerm mijn richting op zie komen, de rest van de zwarte wolk er dicht op. Enkele seconden later vliegen de eerste vogels langs mij heen naar binnen, vleugels slaan rakelings langs mijn oren en hoofd. Voor ik het weet ben ik omring door de vogellichamen, overal zijn vogels. De zwarte wolk heeft mij volledig omringt, misschien zelfs omklemd in een bizarre greep van miljoenen vogels. Ik laat het gebeuren, mijn ogen wijd opengesperd ondanks de randen en veren die erin slaan. Tranen stromen over mijn wangen, waar ze net zo snel weer gedroogd worden door de klapwiekende vleugels. De kreten van de vogels zijn inmiddels zo dichtbij dat ik ze niet eens meer kan horen. Ze zijn letterlijk onhoorbaar geworden en dat stemt mij voor een moment gelukkig. Ik voel de vleugels langs mij heen gaan, de vogels volgen allemaal de eerste die naar binnenvlogen en dan is het klaar.

Doodse stilte omringt mij. Om mij heen liggen enkele zwarte veren, kleine herinneringen aan de zwerm die net voorbij gevlogen was. Verder houdt alles zijn adem in, het bos is stil. Geen gekwetter meer, geen geruis van veren. Niets, behalve de normale geluiden van brekende takken en het geluid van een verre wolf. Ik kijk omhoog naar de bomen en zie niets dan kale takken. En daarachter de maan, bijna vol. De herinnering aan de schittering van het maanlicht in de ogen siddert door mijn hoofd. Ergens was het heel prachtig, maar zo ontzettend angstaanjagend. Ik ben blij dat het over is en dank de maan hiervoor. De maan zegt niets terug en kijkt alleen op mij neer door de takken van de bomen. Ik draai mij om, sluit de deur en loop door de gang naar de woonkamer.

Een zware zwarte golf komt mij tegemoet. Voor ik het weet is de gang overspoeld met vogels en hun lichamen. Het sleurt mij mee, trekt mij onder. De ogen zijn terug, die starende ogen gevuld met schitterend maanlicht. Ik schreeuw, maar mijn mond vult zich met veren en snavels. Als ik niet beter wist dacht ik dat er zelfs ogen bij zouden zitten. De zwarte golf van vogels slaat over mij heen, oorverdovend gekwetter echoot door de gang en trekt mij nog verder onder. Ik probeer boven te komen, maar mijn armen zijn zinloos in deze massa van te kleine lichamen. Ik zink weg en kan alleen nog maar denken: "Het zijn spreeuwen, doodgewone spreeuwen!"

20 november 2011

Pupilloze ogen

Op mistige dagen als deze haat ik de wereld meer dan normaal. Vanuit mijn keukenraam zie ik nog net het tuinhek en met een beetje geluk de eerste bomen verderop, maar vandaag zag ik geen van beide. Ik keek uit het raam en zag de eerste stappen van het grasveld en het pad dat naar het hek leidt. En daarna verdween alles in een witte kolkende massa, laag hangende bewolking in mijn tuin. Als de gedachten zwervend in mijn hoofd waarheid waren geworden in mijn tuin en ik haatte het. Ik wil het bos vrijelijk kunnen zijn. De bomenrijen, de struiken en soms een glimp van een dier dat erdoorheen wandelde. Mist maak mijn wereld nog kleiner dan deze al is en dwingt het mij naar buiten te gaan om de bomen te voelen. Soms zelf gerust te stellen, omdat zij de natte lucht voelen drukken op hun takken en stam. Vandaag was dit dwingende gevoel meer dan ooit aanwezig. De mist was dikker dan de groentesoep die ik gisteren at en die vond ik ook niet echt lekker. Ik moest naar buiten!

Gewapend met mijn jas en een paar stevige schoenen trok ik de voordeur achter mij dicht en trok de mistige wereld voor mij in. Langzaam lopend liep ik het tuinpad af, in de mist kraakte de tegels harder dan normaal en toch verroerde er zich niets. Op mijn voetstappen na was de wereld doodstil. Letterlijk doodstil, alsof de mist een giftige wolk was die alle levende wezens uitgemoord had. Ik legde mijn hand op het tuinhek. Nat en ijskoud. Piepend, ook harder dan normaal, ging het open. Het boeide mij niet, het geluid gaf aan dat er nog leven in het bos was. Dat de dieren niet alleen waren en ik nog geluid kon maken. Ik liet het hek extra hard dichtvallen om mijn aanwezigheid nog duidelijker te maken. Om de mist uit te dagen mij ook doodstil te laten zijn, iets wat ik bij voorbaat weigerde. Op mistige dagen word ik extra vastberaden, de wereld is te klein om mij op te sluiten. Ik wil niet leven, maar wel aanwezig zijn! Gewapend met deze gedachten liep ik verder het bos in. Ik hoefde niet ver om de eerste druipende bomen te ontmoeten. Mistflarden dwarrelde tussen de her en der verschijnende stammen door. De struiken trokken aan de flarden waardoor ze nog meer verspreidt raakte.

Een hooiwagen rende over een natte boomstam en verschool zich onder een grote struik die half over het hout hing. Waterdruppels hingen aan de bladeren en takken. Ik keek naar het rennende wezen, blijkbaar was ik niet de enige die nog in leven was in de witte, natte wereld. Om mij heen begonnen druppels te vallen, de stilte doorbrekend met het geluid van druppels die op natte bladeren en grond vallen. Dat kon er ook best bij. De hooiwagen was inmiddels helemaal verdwenen, mij achterlatend in de mist tussen de bomen. Druppels vielen op mijn hoofd, schouders en voor ik het wist begon ik ze door mijn jas te voelen. Gelukkig was het bos in de mist te prachtig om mij door het water te laten ontmoedigen. Ik dook dieper de misflarden in, de soep van gisterenavond was vergeten. De nattigheid die door mijn jas sijpelde was misschien vervelend, zelfs koud, maar ik was buiten. Buiten waar niets of niemand zich verroerde. Waar alleen het geluid van vallende druppels en krinkelende mistflarden de stilte doorbraken. Ik durfde eindelijk een keer te zeggen dat ik leefde en er gelukkig mee was.

Ik raakte de harde schors van een boom naast mij aan en deed net alsof ik kon voelen hoe het sap en voedingstoffen naar boven werd getransporteerd. Ik wist ook wel dat bomen in de herfst langzaam in winterslaap gaan en de sapstromen grotendeels tot stilstand komen, maar ik wilde gewoon doen alsof ik het leven kon voelen. Eventjes wilde ik leven, leven voelen en in leven blijven. Met die gedachte liep ik door. De mist zwierf voor mij uit. Soms dik als stapelwolken, soms kon ik twintig meter voor mij uitzien. De bomen in mijn directe omgeving tellen en de natte grond bekijken. Het bos bleef stil, hoe ver ik ook kwam. Het enige geluid waren de druppels die op de grond vielen, niets bewoog. Niets leefde en ergens voelde ik een kleine eenzaamheid die ik snel onderdrukte. Ik had geen zin in eenzaamheid, ik wilde genieten van deze mistige omgeving. Eigenlijk wilde ik gewoon elke keer nieuwe bomen zien opdoemen uit de mist. Eerst een vage schaduw tegen de witte achtergrond die langzaam de vorm en massa van een boom begon aan te nemen. De natte stammen voelen onder mijn handen en de druppels op mijn hoofd laten vallen. Al was dat laatste inmiddels erg vervelend aan het worden, de nattigheid begon steeds verder door te dringen op mijn huid. En het was koud, best wel koud.

Het werd ook tijd om terug te gaan. Mijn kleine moment van plezier en geluk was inmiddels verdwenen. Mijn gedachten begonnen weer de vormen van de mist aan te nemen. Donkere flarden die zwaar op mijn gemoed drukten en elk gevoel aan plezier verstopte onder hun dekenachtige armen. Het was de wereld zoals ik deze ken, leeg en gevuld met alles bedekkend niets. Ik draaide mij om en begon terug naar huis te lopen. De koude nattigheid deed mij rillen. Plotseling hoorde ik een geluid dat totaal niet op neervallende druppels leek. Het klonk als voetstappen en niet mijn eigen voetstappen. Een tak brak. Ik keek door de mist, in de hoop een glimp op te vangen van het wezen dat deze geluiden maakte. Het was duidelijk menselijk, een dier zou nooit met zoveel herrie door een bos wandelen. Zeker niet een mistig bos.

"Hallo!" riep ik, eigenlijk tegen beter weten in. Het kon eigenlijk wel van alles zijn, tegenwoordig komen er erg weinig mensen in het bos. Sinds ik er woon had ik één keer een ander persoon gezien en zij was verdwaald. Ze rende ook hard weg toen ze mij zag en daarna had ik niemand meer gezien. "Halloo.." riep ik iets voorzichtiger. Stilte antwoordde, alleen de voetstappen kwamen dichterbij. Het persoon, het wezen, wat het ook was kwam overduidelijk mijn richting op. Ik besloot te blijven staan. Wat had ik nu te verliezen? De druppels bleven vallen en de mist verhulde nog elke vorm in mijn buurt. Ik zag alleen enkele bomen en wat struiken eronder. De voetstappen kwamen langzaam dichterbij, alleen klopte het geluid niet meer. Ik dacht dat ze van schuin achter mij kwamen, maar nu klonken ze duidelijk van rechts. Ik keerde mij om naar die richting en probeerde door de mist te kijken. Niets, alleen een witte leegte. En de voetstappen kwamen weer uit een andere richting, linksachter mij dit keer. "Wat is dit?" dacht ik bij mijzelf. "Wat is dit?" Ik begon te denken dat de mist mij parten aan het spelen was, dat er helemaal niets in het bos was behalve bomen, struiken, ikzelf en de ene hooiwagen die ik eerder gezien heb. Ik kon beter gewoon naar huis gaan.

Precies op het moment dat ik mijn eerste stap nam verscheen hij. Recht voor mij. Hij doemde niet eens op uit de mist, opeens was hij daar. Hij was gekleed als een echte gentleman, een lange jas van een blauwe stof. Nette hoed op zijn hoofd en zwartleren handschoenen aan zijn handen. Er glinsterde druppeltjes op zijn jas en in zijn ogen. Zijn gezicht leek wel volledig gemaakt van haar, maar hij had gewoon een zware, donkerbruine baard. Erg veel baard, welke ook vol druppels hing. Ik keek in zijn ogen en zag hierin de leegte van de mist weerspiegeld. Hij had geen pupillen! Helemaal niets, het was net alsof hij blind was en toch zag. Het blauw van zijn irissen stak duidelijk af tegen zijn baardgroei. Ik schrok mij dood, nog nooit had ik iemand gezien die zonder pupillen de wereld zag. Ik kon het ook niet geloven, maar voor ik wat kon zeggen rende hij op mij af. Een glinstering in zijn hand, welke pijlsnel mijn richting opkwam. Hij stompte mij keihard in de buik. En toen nog een keer tegen mijn borst. Ik viel achterover. "Hee!" schreeuwde ik uit en knalde hard tegen de natte grond. Opeens voelde ik bloed in mijn mond, de metalige smaak van rood. Ik spuugde en begon te hoesten. Meer bloed sproeide uit mijn mond. Ik voelde aan mijn jas en zag dat mijn hand rood van het bloed was. Ik was neergestoken! "Waarom.." wilde ik de man vragen en keek omhoog, maar er kwam geen woord over mijn lippen. Meer een zacht gerochel terwijl de man genoegzaam toekeek hoe het leven uit mijn lichaam vloeide.

Ik stak mijn hand uit, welke hij met zijn rechtervoet wegschopte. Hij trapte nog een keer, deze keer keihard tegen mijn borst en het was over. Ik stierf, mijn doorboorde long klapte ineen en mijn hart besloot te stoppen. Duisternis en zwart omringde mij en ik was weg. Even later, ik weet eigenlijk niet hoeveel later.. werd ik wakker in volslagen duisternis. Zelfs met mijn ogen open was de duisternis compleet. Ik was volledig in verwarring, ik was gestorven en toch leefde ik. Waar was ik?  En die gedachte deed licht verschijnen. Zacht rood licht dat als een klap op de tafel opsprong. Ik kon mijn omgeving zien, rotsen en een kale vlakte. Naast mij stond een ander figuur. Weer een persoon en instinctief dook ik ineen. Straks begon deze mij ook te steken, te schoppen uit het niets. "Wees niet bang." Een geruststellende stem, zwaar als de rotsen maar toch vriendelijk. "Je bent in de benedenwereld. Iedereen die door de man zonder pupillen wordt vermoord komt hier terecht." "De benedenwereld?" stamelde ik terwijl ik de figuur probeerde aan te kijken. Alleen lukte dit niet echt, ik kon mij niet focussen op zijn gezicht. Zijn lichaam, niets. Het was net alsof hij niet scherpgesteld was, een vage constant beweging op de achtergrond. "Ja, de benedenwereld" ging hij verder. "Je kan hier alleen maar wegkomen door weer vermoord te worden. Gelukkig zijn er mogelijkheden zat." Ik wist niets uit te brengen. Wat kon ik hier nog op zeggen...

Hij wees in de verte. "Kijk! Daar komt al een mogelijkheid aan. Succes." En weg was hij. Ik bleef achter op de vlakte en keek naar het monster dat hij aangewezen had. Tanden, klauwen en drie ogen kwamen aanrennen. Het stof vloog op waar het zijn klauwen en tanden in het rode zand plantte. Ik keek en keek, wat kon ik anders doen. Wegrennen had totaal geen zin. Dit groteske monster was sneller dan ik ooit zou kunnen zijn. Het zou mij inhalen voordat ik drie stappen gezet had. Ik hoefde ook niet lang na te denken over vluchten, voor ik het wist zat ik diep tussen de tanden. Ik voelde de kaken langzaam dichtslaan, tanden, klauwen zonken in mijn lichaam. "Vermoord mij niet" sprak ik zachtjes in zijn oor. "Ik wil niet meer leven!" Het rode stof dwarrelde naar de grond en vanuit mijn keukenraam zag ik de stilte terugkeren.

13 november 2011

De aansteller

"Aansteller!" Het eerste woord dat hij ooit tot mijn richtte was gelijk een waardeoordeel. Mijn eerste reactie was om kwaad terug te reageren, terug schelden en op mijn strepen gaan staan. Maar ik weerhield mij hiervan en begon mijn gangen terug te gaan die naar dit moment geleid hadden. Zijn oordeel heeft een grond, iets wat ik gedaan heb om hem tot dit oordeel te laten komen. En ik kon niets verzinnen, niets wat ik gedaan had kon mij bestempelen als een aansteller. In tegendeel juist, gezien de omstandigheden mocht de wereld (en hij dus ook) blij zijn dat ik mijzelf nog niet aan de wilgen had gehangen. Ze mogen best weten dat ik er vaak genoeg aan gedacht heb en zelfs nog steeds denkt, al is dat een ander verhaal.

De benaming aansteller wilde ik niet dragen, het paste niet bij mij. Niet nu en morgen waarschijnlijk ook niet. Ik deed wat iedereen in dezelfde situatie zou doen, ik ontstak in woede en gaf de ander een veeg uit de mantel. Die aansteller zou hij wel even gaan inslikken! Hard, diep en uitermate veel! Het werd een gevecht dat zijn weerga niet kende. Volgens mij hebben de buren het nor steeds over de ruzie die ik had met de enige persoon die ooit "aansteller" tegen mij geroepen had. Al ben ik hier niet helemaal zeker van, ik spreek mijn buren nooit en zie ze alleen wijzen wanneer ik voorbij kom lopen. Wijzen en heimelijk smoezen onder elkaar. Misschien zien zij mij ook als een aansteller, maar zij zeggen het nooit rechtstreeks in mijn gezicht. Dat durven ze helemaal niet, wat ook een goede zaak is. Ik wil er verder geen woorden meer aan vuil maken. Het moment kwam, ging en verdween achterin mijn herinneringen als een vies zakdoekje op een stoffige zolder. Inmiddels zijn mijn buren nog de enige personen die zich het voorval herinneren.

De dag erop sprak ik iemand die mij in vlak Russisch uitlegde dat zijn broer jonger was dan hij, maar toch ouder dan hem. Ik begreep niet wat hij zei, mijn Russisch is niet veel beter dan mijn Frans en zelfs dat begrijp ik niet. Ik zei hem dat ik zijn broer niet kende en ik geen idee had wat hij mij wilde vertellen. Waarop hij het nogmaals verteld, weer in hetzelfde platte Russisch dat ik niet verstond. Ik haalde mijn schouders op en negeerde hem verder door weg te lopen van deze scene. Hij schudde kwaad zijn vuist naar en foeterde in zijn (toch best mooie) taal. Ik haalde nogmaals mijn schouders op en deed alsof er vuiligheid onder mijn nagels zat terwijl ik verder liep door de straat. Pas toen ik de hoek omsloeg stopte hij met mij uitfoeteren. Of ik kon hem niet meer horen, maar ik denk dat hij gestopt was omdat ik uit het zich verdween. De straat lag leeg en ergens ook verlaten voor mij. Een gevoel van eenzaamheid bekroop mij langzaam. Het begon bij mijn benen, langzaam omhoog kruipend langs mijn knieën over mijn dijen omhoog naar mijn buik. Pas toen het bij mijn borstbeen was begon ik te rennen. Ik wilde dit niet, ik wilde die eenzaamheid niet. Dat gevoel moest verdwijnen en ik rende, rende tot ik niet meer kon. Ik rende langs huizen, mensen, bomen en allerhande pluimage dat ik door de snelheid niet meer kon benoemen.

Ik rende tot ik gewoon niet meer verder kon, tot ik een blinde muur raakte en toch nog wilde doorrennen. Met mijn hand leunen tegen de muur stond ik te hijgen als een pakpaard. Mijn hoofd hing tussen mijn schouders en mijn rug gebogen. Ik was wel moe, maar toch wilde ik doorrennen. Het gevoel van eenzaamheid had mijn hele borst overgenomen en hijgend rukte ik mijn overhemd open. Knoopjes schoten alle kanten op, de meeste tegen de muur. Ik hoorde ze wegschieten, tegen de muur springen en op de grond vallen. Eentje rolde terug richting mijn schoen, alsof het terug wilde naar zijn plaats op mijn overhemd. Ik negeerde het verder, sympathie voor levenloze objecten heb ik nooit gehad. Laat staan voor een knoopje van mijn overhemd. Zelfs het gevoel van eenzaamheid dat mij bekroop kon daar niets aan veranderen. Ik had andere zaken af te handelen, namelijk dat gevoel bestrijden. Hard bestrijden!

Met beide handen begon ik naar mijn borst te klauwen. Een nogal vreugdeloze poging om het gevoel van mij af te werpen, maar het enige wat ik opliep waren schrammen van mijn nagels. Ik moet hier even toevoegen dat ik tegenwoordig vrij weinig mijn nagels knip, omdat ik daar gewoon een hekel aan heb. Op het moment dat ik naar mijn borst klauwde waren mijn nagels vrij lang, lang genoeg om diepe schrammen in mijn vlees achter te laten. Sommige bloedde zelfs en hiervoor moest ik uiteindelijk een dokter bezoeken. Het ging ontsteken. Het gevoel raakte ik totaal niet kwijt, sterker nog het werd er nog erger van. De schrammen versterkte het gevoel van eenzaamheid nog meer, de pijn op mijn borst was een katalysator. Ik begon te huilen, hard te huilen en zakte tegen de muur naar de grond. Daar moest ik zeker enkele uren gelegen hebben voordat jij mij vond.

"Aansteller" was het eerste woord dat je tegen mij zei. Gelijk een waardeoordeel naar mijn hoofd gooien terwijl ik in mijn gevoel van eenzaamheid op de grond lag. Bloedend uit zelf veroorzaakte wonden. Mijn eerste reactie was ontiegelijk kwaad op je te worden, gewoon keihard terug te gaan schelden. Wie was jij om mij een aansteller te noemen, maar ik weerhield mij. Misschien had je gelijk, misschien was er iets in mijn houding waardoor jij mij een aansteller kon vinden. In de luttele seconden nadat je mij voor aansteller uitgemaakt had gingen al deze gedachten door mijn hoofd en ik kon niets bedenken waarom jij mij deze titel moest geven. Helemaal niets! Ik verdiende het niet om aansteller genoemd te worden en ontstak in een woede die nog lang zou aanhouden. Ik foeterde je helemaal uit en voelde mij opgelucht. Het was een opluchting om je de huid vol te schelden en daar wil ik je voor danken. Maar je was al weg, alleen het geluid dat je maakte bleef achter. "Aansteller" zei het.

2 november 2011

Als de zwaluwen zingen



Ik zat in de trein. Tegenover me zat de mooiste vrouw die ik ooit gezien had. Blonde lokken lang als de duisterste nacht, ogen zo diep als de sterrenhemel. Ik ging naast haar zitten en keek naar de ronding van haar gezicht. Langzaam schoof ze dichter naar me toe. De behoefte om haar te kussen stroomde mijn gestel binnen. Ik voelde mijn mond richting haar lippen trekken. Haar lippen wachtte smachtend op de zachte aanraking van de mijne. Maar plots beroerde haar vingers mijn gezicht, mijn voortgang tot een halt roepend.

Ze zei tegen mij:
"Ik droomde dat ik jou was. Ik zat in de trein. Tegenover me zat de mooiste man die ik ooit gezien had. Blonde lokken lang als de duisterste nacht, ogen zo diep als de sterrenhemel. Ik ging naast hem zitten en keek naar de ronding van zijn gezicht. Langzaam schoof hij dichter naar me toe. De behoefte om hem te kussen stroomde mijn gestel binnen. Ik voelde mijn mond richting zijn lippen trekken. Zijn lippen wachtte smachtend op de zachte aanraking van de mijne. Maar plots beroerde zijn vingers mijn gezicht, mijn voortgang tot een halt roepend."

Hij zei tegen mij:
"Ik droomde dat ik jou was. Ik zat in de trein. Tegenover me zat de mooiste vrouw die ik ooit gezien had. Blonde lokken lang als de duisterste nacht, ogen zo diep als de sterrenhemel. Ik ging naast haar zitten en keek naar de ronding van haar gezicht. Langzaam schoof ze dichter naar me toe. De behoefte om haar te kussen stroomde mijn gestel binnen. Ik voelde mijn mond richting haar lippen trekken. Haar lippen wachtte smachtend op de zachte aanraking van de mijne. Maar plots beroerde haar vingers mijn lippen, mijn voortgang tot een halt roepend."

Ze zei tegen mij:
"Ik droomde dat ik jou was. Ik zat in de trein. Tegenover me zat de mooiste man die ik ooit gezien had. Blonde lokken lang als de duisterste nacht, ogen zo diep als de sterrenhemel. Ik ging naast hem zitten en keek naar de ronding van zijn gezicht. Langzaam schoof hij dichter naar me toe. De behoefte om hem te kussen stroomde mijn gestel binnen. Ik voelde mijn mond richting zijn lippen trekken. Zijn lippen wachtte smachtend op de zachte aanraking van de mijne. Maar plots beroerde zijn vingers mijn gezicht, mijn voortgang tot een halt roepend."


Hij zei tegen mij:
"Ik droomde dat ik jou was…..”




Was geschreven Godpipo, medio 2004

Krokodillenlerentasjes


Ik pleeg tranen voor jullie.
Grote dikke tranen van smart en treurnis.
Maar de wereld draait door, draait door rond zijn as.

Ik pleeg mijn tranen voor een leeg publiek.
Iedereen kijkt naar de clown die zijn kunsten maakt.
Ballonnen vouwt en knijpt in zijn neus.
De grollen van een clown, leeg en zonder diepgang.

De maan schijnt op de bungelende tranen.
Maar er is niemand om ze te zien. Niemand die de
schittering ziet die over mijn wang rolt.
Als een verlaten kind valt ze op de koude grond.
Opgenomen als een welkome voeding voor het gras.

Planten hebben meer gevoel voor drama dan het
gezeten publiek. Niemand kijkt naar de tranen.
Tranen welke mijn lichaam verlaten uit smart voor
de mensheid. Niemand kan het iets schelen.

Ik laat mijn tranen los in de hoop dat iemand ze
zal zien. In de hoop dat iemand me de hand reikt en
het zilte nat van mijn wang kust. Maar de enige lippen
die mijn gezicht beroeren zijn van de koude wind.
Koud en guur waait hij door het publiek.

Mijn tranen pleeg ik voor mezelf. In stilte en alleen.
Ik verwacht geen doekje voor het huilen. Niemand kan
de verlaten ziel in het midden van de piste iets
schelen. Alleen de clown mag het publiek vermaken.

Met ballonnen en gekke fratsen.




Was geschreven Godpipo, medio 2004